Altviool

De altviool is iets groter dan de viool. Waar de klankkast van een viool zowat 35 cm lang is, heeft de altviool - die tot op heden geen standaardafmetingen heeft - een corpuslengte van 37,5 cm tot 44 cm (41 à 42,5 cm is de courantste maat). Haar vier snaren zijn gestemd als c-g-d'-a', een kwint lager dan de viool.
De altviool heeft een interessante rol in een ensemble of orkest. Soms speelt de altviolist:

• een ondersteunende stem, om de harmonische opbouw compleet te maken, waarbij ze niet te sterk mag spelen; • een basstem, bijvoorbeeld als de cello een melodie speelt; ze moet dan goed gehoord worden;
• een tweede stem tegen de eerste viool of cello aan – ook dan moet de alt goed gehoord worden;
• een solopassage.

De formanten in de resonantie door de klankkast van een altviool liggen ongeveer een terts te hoog voor zijn stemming. Daardoor klinkt de alt altijd wat meer omfloerst dan de kleinere viool of de grotere cello, die een betere aanpassing van hun resonantiepieken hebben. Eigenlijk zou een altviool groter moeten zijn, maar dan is hij niet meer in de arm te bespelen. Er is wel eens als proef een grotere altviool gebouwd die net als de cello tussen de knieën werd gehouden. (Yo-Yo Ma maakte op zo'n experimentele altviool een opname van het altvioolconcerto van Bartók). Zo'n alt klonk wel sterker, maar miste de typische alt klank en is daardoor geen succes geworden.

Muziek voor de altviool wordt in de regel genoteerd in de altsleutel.